Onderzoek grensoverschrijdend gedrag op de schop
Er gaat te veel mis bij onderzoek naar meldingen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. En de schade van slecht uitgevoerd onderzoek groot: voor de melder, de beschuldigde en de organisatie. Daarom moet het hele stelsel voor persoonsgericht onderzoek op de schop: van wetgeving tot vergunningen, opleidingen, toezicht en klachtencommissies. : het moet allemaal beter, zegt Mariëtte Hamer, regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Volgens Hamer is Daar moet een beter functionerend stelsel verandering in brengen. Daar heeft ze 30 aanbevelingen voor, zo blijkt uit een advies van 27 mei aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Stelsel van onderzoek moet beter
Volgens Hamer zijn er zeker onderzoeksbureaus die prima werk leveren, maar er zijn ook genoeg voorbeelden van persoonsgericht onderzoek dat niet onafhankelijk, methodologisch incorrect of onzorgvuldig is. De wet laat onderzoeksbureaus veel ruimte: na één examen mag je als onderzoeker aan de slag en de wet stelt weinig concrete kwaliteitseisen aan onderzoek. Hierop wordt ook nog eens weinig toezicht gehouden. Bovendien maken werkgevers met goede bedoelingen soms de keuze voor een onderzoek terwijl dat niet de meest passende interventie is, of omdat ze onvoldoende kennis en middelen hebben om het juiste onderzoeksbureau en onderzoeksopzet te kiezen. Genoeg redenen om het stelsel de komende jaren te verbeteren om zo recht te doen aan de meldingen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.
Basis- en specialistisch onderzoek
Hamer adviseert het kabinet een onderscheid te maken tussen basisonderzoek en specialistisch onderzoek. Nu mag een vergund onderzoeksbureau een relatief simpel vergrijp als diefstal onderzoeken, maar ook een complexe melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag of machtsmisbruik. Terwijl dit type onderzoek specifieke kennis vereist, bijvoorbeeld over interviewtechnieken, wetgeving en psychologie rond coping en schaamte. Daarom moet de vergunning en de opleiding van onderzoekers een basisvariant en specialisaties kennen. Ook nascholing en herregistratie moet verplicht worden. Dat moet allemaal in een register vastgelegd, zodat een werkgever ook weet of het bureau en de onderzoekers gekwalificeerd zijn om een bepaald onderzoek te kunnen doen.
Zelfde regels intern en extern onderzoek
Hamer adviseert verder dat dezelfde regels moeten gelden voor externe onderzoeksbureaus en interne onderzoekscommissies, die binnen een organisatie werken. Ook acht ze het ongewenst dat het advocatenkantoor van de opdrachtgever geen onderzoek mag uitvoeren, omdat dit onverenigbaar is met de relatie tot de opdrachtgever. De bestaande brancheorganisaties voor particuliere onderzoeksbureaus kan ook een belangrijke rol spelen als het gaat om kwaliteitseisen aan onderzoekers.
Toezicht en sancties
Tot slot is er ook een beter toezicht nodig op de onderzoekers. Nu hebben Justis en de korpsleiding van de politie de taak om toezicht te houden op vergunde onderzoeksbureaus. In de praktijk hebben zij hier niet de capaciteit en expertise voor. Hamer adviseert daarom een nieuwe organisatie op te richten, die inhoudelijk gestalte kan geven aan de toezichtsfunctie en het sanctiebeleid aanscherpt. Dat kan bij verlenging van de vergunning de uitvoering van eerder onderzoek beoordelen. Deze nieuwe organisatie moet ook een externe klachtencommissie in huis hebben, waar volgens Hamer ieder onderzoeksbureau bij aangesloten zou moeten zijn.
Cultuuronderzoek
Soms is niet persoonsgericht onderzoek, maar cultuuronderzoek de juiste interventie. Een cultuuronderzoek is niet herleidbaar naar personen, maar gericht is op de omgangsvormen en structuur binnen een organisatie of afdeling. Hiervoor gelden wettelijk nauwelijks kwaliteitseisen. Hamer adviseert daarom de oprichting van een brancheorganisatie voor cultuuronderzoek, die kwaliteit en opleidingen voor cultuuronderzoek kan stimuleren. Ze waarschuwt bovendien voor de vermenging van beide onderzoeksvormen: wanneer cultuuronderzoek persoonsgericht wordt moet het bureau een nieuw onderzoek starten, op basis van de nieuwe wetgeving. Een verplichte ‘voortoets’ bij ieder onderzoek kan voorkomen dat de onderzoekers tijdens het onderzoeksproces voor verrassingen komen te staan.