Checklists
Laatst gewijzigd op: 10 maart 2026
leren, boek, onboarding

Rechten van de OR

De ondernemingsraad (OR) kan bijdragen aan het goed functioneren van de organisatie en vertegenwoordigt daarin de belangen van het personeel. Of de toegevoegde waarde van een OR goed tot zijn recht komen, hangt af van de bereidheid van de bestuurder om de OR te betrekken bij beslissingen en van de constructieve houding van de medezeggenschap zelf. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) regelt een aantal rechten voor de OR die moeten helpen zijn rol goed te vervullen. In dit overzichtsartikel lees je welke dat zijn.

Meerwaarde van de OR

De OR kan een grote meerwaarde hebben voor de bestuurder. De OR kan signalen doorgeven over ontwikkelingen en bevindingen uit alle lagen van de organisatie. Signalen die anders lang niet altijd doordringen tot een bestuurder. Andersom kan de OR ook een rol spelen bij het doorgeven van informatie van de bestuurder naar de werknemers. Dat kan gunstig zijn voor het draagvlak van besluiten. De feedback van de OR op voorgenomen besluiten kan leiden tot beter gefundeerde voorstellen.

Rechten van de OR

De ondernemingsraad heeft verschillende rechten of bevoegdheden om invloed uit te oefenen op het beleid. De meeste bevoegdheden staan in de Wet op de ondernemingsraden (WOR). De belangrijkste zijn het overlegrecht, het actief en passief informatierecht, het initiatiefrecht, het adviesrecht bij organisatiebeleid en het instemmingsrecht bij HR-beleid. Daarnaast heeft de OR een toezichthoudende taak, waaronder letten op de naleving van de cao, en een stimulerende taak, zoals het verbeteren van arbeidsomstandigheden en tegengaan van discriminatie (artikel 28 WOR).

Overlegrecht

De WOR schrijft voor dat OR en bestuurder (en toezichthouder) regelmatig met elkaar overleggen. De regels voor dit reguliere overleg hiervoor staan in artikel 23 WOR. Het overleg mag zo vaak plaatsvinden als nodig wordt geacht en ook voor het aantal onderwerpen geldt geen beperking. Wel bepaalt de WOR dat in organisaties met 100 of meer medewerkers ten minste een keer per jaar overleg moet zijn over ontwikkelingen in arbeidsvoorwaarden en beloningen.

Artikel 24-overleg

Daarnaast moeten OR en bestuurder verplicht twee keer per jaar het zogenaamde artikel 24-overleg voeren. Dit is een bijzonder en belangrijk overleg waarin de algemene gang van zaken wordt besproken. De bestuurder geeft aan welke ontwikkelingen er spelen en welke voorgenomen besluiten hij heeft die advies- of instemmingsplichtig zijn. OR en bestuurder kunnen dan afpreken wanneer de OR in het proces betrokken zal worden.

TIP De toezichthouder is verplicht het overleg als beschreven in artikel 24 WOR bij te wonen, tenzij de OR daar geen behoefte aan heeft.

 

Passief informatierecht

Het recht op informatie staat in artikel 31 WOR. Een nieuwgekozen OR heeft, zonder dat deze daarom hoeft te vragen, recht op actuele juridische en organisatorische informatie over de rechtsvorm, statuten en structuur van en de zeggenschap binnen de organisatie en het concern waartoe de organisatie behoort. De bestuurder hoort deze informatie dus te overhandigen bij een nieuwe zittingsperiode van de OR. Ook hoort de bestuurder de OR minimaal tweemaal per jaar te informeren over het financieel beleid (artikel 31a WOR) en minimaal eenmaal per jaar over het HR-beleid (artikel 31b, d en f WOR). Dat heet passief informatierecht.

Actief informatierecht

Verder mag de OR de bestuurder ook vragen om informatie die nodig is om goed te kunnen functioneren. Dat heet actief informatierecht. Het gaat vaak over onderliggende stukken bij adviesaanvragen en instemmingsverzoeken. In de praktijk zal HR die stukken vaak moeten aanleveren, omdat het gaat om personele en organisatorische onderwerpen.

TIP De bestuurder kan de OR tot op zekere hoogte geheimhouding opleggen als er bijvoorbeeld sprake is van bedrijfsgevoelige informatie. Je moet die informatie wel verstrekken, maar de OR mag dit niet openbaar maken.

 

Initiatiefrecht

Dit recht dat in artikel 23 lid 3 WOR staat, geeft de OR de mogelijkheid om binnen en buiten de overlegvergadering voorstellen aan de bestuurder te doen. Hoe de OR initiatief moet nemen, staat niet in de WOR, maar de wet onderscheidt wel voorstellen binnen en buiten de overlegvergaderingen. Voorstellen tijdens de overlegvergadering vallen onder het mondeling initiatiefrecht. Voorstellen buiten de overlegvergadering vallen onder het schriftelijk initiatiefrecht. De bestuurder moet schriftelijk laten weten of en in welke mate hij het voorstel van de OR overneemt. Ook moet hij dit onderbouwen.

Adviesrecht

De OR heeft adviesrecht over onderdelen van het organisatiebeleid, zolang die staan opgesomd in artikel 25 WOR. Bijvoorbeeld over fusies, overnames, bedrijfssluitingen, verhuizingen, reorganisaties en de wijziging van werkprocessen. Voorgenomen besluiten hierover zijn adviesplichtig. Het advies moet schriftelijk aangevraagd worden bij de OR en moet gebeuren op een zodanig tijdstip dat het advies nog van wezenlijke invloed kan zijn op het voorgenomen besluit van de bestuurder.

Procedureel gezien kan de bestuurder een advies van de OR naast zich neerleggen zolang hij of zij maar gemotiveerd aangeeft waarom het advies (of onderdelen daarvan) niet wordt overgenomen. Wel moet de bestuurder in dat geval één maand wachten met de uitvoering van het definitieve besluit. In deze maand kan de OR besluiten om in beroep te gaan bij de Ondernemingskamer (OK) van het Gerechtshof in Amsterdam (artikel 26 WOR).

TIP De OR kan ook besluiten om af te zien van deze termijn, zodat de bestuurder toch direct kan overgaan tot uitvoering van het besluit.

 

Instemmingsrecht

De OR heeft instemmingsrecht over onderdelen van het HR-beleid, zolang die staan opgesomd in artikel 27 WOR. Het gaat hier onder meer om aanvullende arbeidsvoorwaarden, pensioenen, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden. Invoering, intrekking of wijziging van die regelingen is instemmingsplichtig. Het instemmingsrecht wordt ook wel het sterkste recht van de OR genoemd, omdat de bestuurder zonder instemming van de OR, de regeling niet kan invoeren. Dit in tegenstelling tot een OR-advies, dat de bestuurder gemotiveerd naast zich neer kan leggen.

Het is bij het instemmingsrecht dan ook niet de OR, maar de bestuurder die naar de rechter moet, namelijk om vervangende toestemming te verkrijgen. Voorwaarde is wel dat de OR tijdig de nietigheid van het besluit inroept. De kantonrechter zal vervangende instemming alleen geven bij zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

Rechten volgens andere wetgeving

De WOR is niet de enige wet met bevoegdheden voor de OR. In andere wetten staat nog het overeenstemmingsrecht bij heel specifieke zaken bij heel specifieke zaken, het voordrachtsrecht voor nieuwe toezichthouders of commissarissen uit het Burgerlijk Wetboek (2:158 en 2.268) en het adviesrecht bij benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders van NV’s (BW 2:134a en 2:144a).

Overeenstemmingsrecht

Het overeenstemmingsrecht staat niet in de WOR, maar in andere wetten als de Arbowet, de Arbeidstijdenwet en de Wet arbeid en zorg en soms zelfs in cao’s. Het overeenstemmingsrecht is een versterkt soort instemmingsrecht, dat meer op een vetorecht lijkt. De directie mag hierbij geen beleidswijziging doorvoeren op specifiek benoemde terreinen zonder overeenstemming met de OR. Komt die er niet, dan kan de directie geen vervangende toestemming vragen bij de kantonrechter. Dat betekent dat zo’n regeling alleen veranderd mag worden als OR en directie het met elkaar eens zijn en dit schriftelijk ook zo vastleggen.

Voordrachtsrecht toezichthouder

In het Burgerlijk wetboek staat dat ondernemingsraden in alle profit organisaties met een raad van commissarissen een vrijblijvende voordracht kunnen doen voor een werknemerscommissaris. Voor profit organisaties met meer dan 100 werknemers geldt sinds 2004 het versterkte voordrachtsrecht voor maximaal een derde van het aantal zetels in de raad van commissarissen. Voor non-profit organisaties geldt meestal ook zo’n versterkt recht tot aanbeveling van een of meer toezichthouders, maar dat ligt dan vast in de cao of in de statuten.

Adviesrecht benoeming en ontslag directie

In artikel 30 WOR staat dat de OR advies mag geven over een voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van de directie. Dat geldt ook voor de aanstelling van een interim-directeur. De OR kan alleen niet in beroep gaan als de directie het OR-advies negeert. Anders ligt dat bij naamloze vennootschappen, zoals beursgenoteerde ondernemingen. Daar moet het standpunt van de OR over de aanstelling of ontslag op hetzelfde moment aangeboden worden als het standpunt van de directie zelf. De algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) beslist vervolgens. Bij beursgenoteerde bedrijven mag de OR zijn standpunt ook nog toelichten in de AVA.